Ik heb uitzicht op een vrouw die zorgvuldig maar als een hongerige beer met haar lepeltje de restjes honing uit de plastic bakjes schraapt. Onze blikken kruisen elkaar kort, maar haar blik is niet schuldbewust: 'Ik heb hiervoor betaald en dus gaat het op.'
Mijn tafeltje ziet er wat zielig uit, weggestopt in een donkere hoek, maar met op mijn gezicht gericht een gigantische schijnwerper. Er staat een grote fles water op tafel, een koffie verkeerd en twee glazen, ook al ben ik hier alleen. Stilte is hier een constant soort lawaai. Prettig lawaai waarin stemmen oplossen en intieme (of banale) gesprekken nooit het publieke oor bereiken zullen. (Niet dat ik iets te vertellen heb.)
Tegenover mij zit een man die nooit restanten honing zou wegschrapen. Hij is het soort man dat in een plotselinge staat van euforie uitroept: 'Honing! Voor iedereen!' Daarbij klapt hij in zijn handen en de spreekwoordelijke briefjes geld vliegen in het rond. Ontdaan van zijn uitspatting gaat hij zitten en begint met zijn vinger gedachteloos over het scherm van zijn iphone te schuiven. Zo zijn we allemaal weleens eenzaam.
Ik zie mezelf in de spiegelwand en vraag me af hoe ik eruit zie. Mijn vriendin die hier ober is stopt me toe: 'Je bent de enige niet die hier alleen zit.' Depeche Mode zou zingen dat ik van de stilte moet genieten dus doe ik dat maar.
Wanneer komt de dag dat je tegenover elkaar gaat zitten en besluit dat de krant meer te vertellen heeft? Is dat ook de dag waarop je in de spiegel kijkt en plotseling beseft dat je twintig kilo aangekomen bent en wel dertig jaar ouder? Al die jaren geleden zei je vol overtuiging dat jij nooit zo zou worden en jullie nooit uitgepraat zouden raken. Nu kijkt hij op van zijn telefoon en schenkt hij haar een blik van afgrijzen: 'Duitsland? Daar zijn we toch vorig jaar al geweest?' Zij laat haar hoofd zakken en in haar eens volle haardos tekenen zich nu kale plekken af.
De man die tegenover me zit blijkt ook het soort man dat gretig een uitsmijter naar binnen werkt. Een mengsel van ei en kaas druipt langs zijn vork naar beneden. Ik neem nog een slok water en schenk ook mijn fictieve vriend bij.
Een grote stellingkast vormt het midden van de bar. Flessen sterke drank staan er in rijen opgesteld. Helemaal boven in de kast staan glazen potten gevuld met uit verhouding gegroeide olijven, augurken en ronde bollen die weleens citroenen zouden kunnen zijn. De potten hadden ook met embryo's gevuld kunnen zijn, dat zou dit café net dat rauwe randje gegeven hebben.
De mensen naast me roeren het schuim van hun cappuccino's kapot en ik denk dat de Italianen het zo niet bedoeld hadden. Net als suiker en decafé.
De witte blousejes die de obers hier dragen maken de dunne vrouwen dunner en de dikke dikker. De ober die mij van koffie verkeerd voorziet - nog zoiets waarvoor de Italianen hun neus ophalen - heeft swingende heupen en mijn tafel trilt een beetje wanneer zij langswiegt. Daarnaast heeft ze wallen onder haar ogen en vermoed ik dat ze moet huilen als iemand zijn hand te lang in haar nek legt.
Een paar tafels verder neemt een donkere vrouw plaats en op een onschuldige manier vind ik haar aantrekkelijk. Haar korte kroeshaar is niet langer dan een centimeter en aan haar oren hangen kleine kunstwerkjes. De trui die ze draagt is kobaltblauw en zou zowel heel duur als heel goedkoop kunnen zijn. Met haar ene hand roert ze vlug de honing door haar muntthee, met de andere gebaart ze wild naar haar echtgenoot. Haar echtgenoot daarentegen houdt mij in de gaten, want ook hij heeft door dat ik niet half zo onschuldig ben als ik hier, schrijvend in de hoek van dit drukke café, doe vermoeden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten