Buiten is het grijs en regent het, maar ik heb de lente geproefd, haar omarmd en nu ze eindelijk in mijn greep is laat ik niet meer los.
Koud was de winter niet bijzonder, maar donker wel. Hardlopen terwijl de zon nog op moet komen, thuiskomen als de zon alweer plaatsgemaakt heeft voor de maan. In bed met een boek of voor de televisie, lange nachten maar toch moe wakker worden. Naar thuis verlangen. Naar warmte en rust. Vluchten ook eigenlijk. Ik heb een huis en ik heb luilekkerland. Deze winter bracht ik grotendeels door in het land van de how-i-met-your-mother-marathons, taartjes en latte macchiato's. Een laagje stof bedekte mijn huis en mijn leven.
Maar nu is daar lente en maak ik schoon. Ik zit op mijn bed en op mijn schoot rust mijn gitaar. Met mijn te lange nagels sla ik wat akkoorden aan en neurie zachtjes een liedje. Mijn kuitspier verlet me hard te lopen dus ik zwem. Ik lach naar iedereen die het wel en niet waarderen kan.
Hoe grijs de dagen ook zijn, de lente kan ik ruiken. De lucht is licht en hoewel het vriezen gaat, warm. Zodra de zon te voor schijnt, trek ik mijn jas uit, wend mijn gezicht naar boven en lentelach.