vrijdag 7 maart 2014

(een ijsbreker)

Een grote mottige jas, zo een met meer onbestemde vlekken dan oorspronkelijk textiel, en daarboven een verrimpeld hoofd met een prominent uitstekende neus. De ogen zijn gesloten en hij wankelt een beetje. Gehoest, gerochel en – klaar voor de start – een megafluim. Alsof hij al zijn kracht en slijm gespaard heeft om de enorme wolk spuug te produceren die hij zojuist op de grond gekwakt heeft. Daar sta ik van te kijken.

Zorgvuldig ontwijk ik het verse plasje spuug en loop verder. Nog geen tien meter later zie ik weer een plasje, met de bubbels er nog in. Verbazingwekkend, twee keer zo’n grote fluim. Maar de man blijkt een meesterspuger te zijn en ik moet de ene na de andere plas ontwijken. Hij heeft met zijn spuug een oneindig spoor getrokken en overmeesterd door walging enerzijds en nieuwsgierigheid anderzijds volg ik het speeksel. De laatste afdruk vormt een lange sliert, bijna in de vorm van een pijl, die in de richting van het park wijst. In het park ligt een kleedje en op het kleedje vind ik de bron van de slijmproductie. Potten pindakaas en speculoos, flessen vodka en whiskey en een pot yoghurt. Hij heeft het er duidelijk van genomen.