In het huis staan twee stoelen, één in de keuken en één bij het raam. Vandaag zit ze bij het raam en staart ze naar buiten, naar de schreeuwende meeuwen en de kust in de verte. Er wordt op de deur geklopt en haar ogen schieten heen en weer. Een mens, een mens, een mens. Hoe lang is er hier al geen mens geweest? Wie het is maakt werkelijk niets uit. Er worden sigaretten gerold en de lucht is blauw van de rook. De ramen kunnen best open, maar het waait en de lucht is koud. De zinnen, die van mensen, maken haar bang. Soms inhaleert ze snel, soms slaat ze haar vrije hand voor haar gezicht. Vanuit haar hol en na een zin of tien durft ze haar omstanders van repliek te voorzien. Ze lacht en praat, steeds harder en harder en zodra ze zich daarvan bewust is slaat ze wederom haar hand voor haar gezicht. Alsof geluid bestraft moet worden.
De deur valt dicht en ze staart weer naar buiten, naar de langslopende mensen dit keer. Voor het beeld slaat ze af en toe een deken om zich heen - ingepakt als mummie lijkt het recht op zelfmedelijden bijna legitiem. Sommige zinnen zijn vragend, beginnen met waarom en impliceren 'waarom niet'? Er zijn mensen die haar aan haar benen willen meesleuren, de trap af, de massa in. Menselijk lawaai overstemt alles. Ze wil de vogels en de zee en het koken van water op het fornuis. Ze wil stromend water en koffiegepruttel, dansende kevers en zingende nachtegalen. Ze zou haar ogen sluiten en haar armen om haar lichaam sluiten. Ze zou haar hart horen bonken en de meeuwen in de verte.
Ze verplaatst zich van het raam naar de keuken, pakt een pollepel en slaat driemaal op het aanrecht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten