1. De boeklezing van Jonathan Franzen en het uiteten-bij-de-fusion-japanner voorafgaand aan de lezing. Raar eigenlijk, hoe intiem het is om de schrijver wiens woorden je zo mooi vindt, te zien en te horen. Achteraf toch wel een beetje balen van het feit dat er geen zinnig woord uit me kwam toen ik mijn boek liet signeren. Discussiëren met de onbekende jongen en - wanneer hij weg is - verklaren dat hij onzin sprak en wij gelijk hadden.
2. Willen pinnen, maar zien dat er drie keer vijftig euro uit de pinautomaat komt. Eerst heel verbaasd zijn, maar vervolgens toch maar omdraaien om luid te roepen 'Menéér, u vergeet uw geld!'. Waarna de man in kwestie zich omdraait - hij was aan de telefoon - en aan zijn beller meedeelt 'misschien moet ik ook maar in Amsterdam gaan wonen, iedereen is hier goudeerlijk!'. (een ietwat overhaaste conclusie, maar hij toverde in ieder geval een grote glimlach op mijn gezicht)
3. Een briefje ophangen op het 'language exchange'-bord in het P.C. Hoofthuis. Vol verwachting de andere briefjes bekijken en concluderen dat er nog niemand is die aan mijn verwachtingen voldoet (Spanjaard die wenst Nederlands of Engels te spreken). Lachen naar de jongen die voor het bord staat en aandachtig mijn briefje leest.
4. Therapeutenpraat. Groepsgenoot zegt tegen/over mij: 'wat ben je toch een heerlijk kind!', waarop een andere groepsgenoot zegt: 'jullie allebei!' Mijn therapeute kan het niet nalaten te eindigen met 'precies, jullie állemaal!'.
5. Drankjes doen met vriendinnen en me laten overhalen toch nog langer te blijven. Andere vrienden sinds lange tijd weer zien en het ouderwets gezellig hebben. Buiten wachten en overvallen worden door een man-en-vrouw-op-leeftijd die ons proberen te bekeren. Mijn lach inhouden, maar vervolgens een half uur serieus in discussie. Tevreden zijn met ongelovig zijn en geen Jezus Christus in mijn hart hoeven hebben, maar lieve vrienden en mooie herinneringen.
Iets minder leuk
1. In de bus zitten en kijken naar een jongen die op zoek is naar zijn fiets. Hij loopt meerdere rondjes, maar zijn fiets staat niet tussen de andere fietsen. Dan kijkt hij omhoog en ziet, op het dak van een bushokje, eindelijk zijn fiets liggen. Hij lacht, maar is erg verbaasd. Ik lach niet, maar ben boos op degene die de fiets van die aardige jongen op het bushokje heeft gegooid. Voorbijgangers helpen de jongen zijn fiets van het bushokje te tillen. Blij fietst hij weg. Ondertussen krijg ik het in mijn hoofd niet gerelativeerd dat ik het waarschijnlijk erger vind, dan de jongen zelf. Diep ademhalen en wederom concluderen dat het tijd is om los te laten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten